Tag archief hardheidsclausule

doorArjan van Luipen

Via de hardheidsclausule toegang tot de WSNP

update: 14 december 2018

Om toegang te krijgen tot de WSNP moet de schuldenaar minimaal aan de volgende voorwaarden voldoen:

  1. de schuldenaar heeft problematische schulden, die deze niet meer kan betalen;
  2. de schuldenaar is ten aanzien van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw geweest;
  3. Het is aannemelijk dat de schuldenaar zijn/haar verplichtingen, die voortvloeien uit de schuldsanering, zal nakomen.

Daarnaast geldt dat er voorafgaand aan het verzoek tot toelating tot de WSNP een minnelijk traject moet hebben plaatsgevonden. Ook mag de schuldenaar niet eerder (in de 10 jaren daaraan voorafgaand) in de WSNP hebben gezeten.

Vaak zien we dat vooral het 2e punt een groot obstakel vormt voor toegang tot de WSNP: de goeder trouw (zie ook deze blog).

Indien de rechtbank of het gerechtshof er niet van overtuigd kan worden dat de schuldenaar ten aanzien van de aanwezig schulden te goeder trouw was, kan een beroep op de hardheidsclausule uitkomst bieden.

Wat is de hardheidsclausule?

De hardheidsclausule is in de wet opgenomen in art. 288 lid 3 Fw en luidt:

Het verzoek kan in afwijking van het eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder c, worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen.

Dit artikel geeft als ware een ‘escape’ (een vluchtroute) indien de schuldenaar niet voldoet aan de voorwaarden voor de toelating tot de WSNP.

Een beroep op de hardheidsclausule moet goed worden onderbouwd en wordt door de rechtbanken en gerechtshoven als uitzondering op de regel gezien.

Daarbij geldt overigens dat er voor 2015 wel eens onduidelijkheid bestond over de reikwijdte van de hardheidsclausule. In een uitspraak van 20 november 2015 (voor de hele uitspraak, zie hier) heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat het alhier niet alleen maar gaat om persoonlijke veranderingen (zoals verslavingsproblematiek), maar ook andere omstandigheden (zie hierna) kunnen worden ingezet om succesvol de hardheidsclausule in te zetten.

Wanneer kan een beroep op de hardheidsclausule slagen?

In de eerste plaats geldt dat nadrukkelijk een beroep op de clausule gedaan moet worden. De rechter kan anders deze clausule passeren. Indien de schuldenaar een goede advocaat heeft, zal deze dit punt niet moeten laten liggen.

Voorbeelden van een geslaagd beroep op de hardheidsclausule zijn:

  • de schuldenaar heeft echt een keer ten goede gemaakt en zichtbaar (en bewijsbaar!) de omstandigheden die hebben geleid tot de schulden drastisch gewijzigd;
  • de schulden zagen uitsluitend op ondernemers-schulden en de onderneming is gestaakt en de schuldenaar heeft een vaste baan (zie bijvoorbeeld deze uitspraak van ons kantoor uit mei 2017);
  • er was sprake van verslaving, maar bewijsbaar is aangetoond dat deze verslaving echt tot het verleden behoort. (minimaal één jaar geen verslaving is veelal vereist);
  • Hof Leeuwarden, 13 december 2018 (uitspraak van ons kantoor, nog niet gepubliceerd): de schuldenaar heeft duidelijk een gedragsverandering laten zien en al drie jaar lang geen nieuwe schulden gemaakt. Heeft daarnaast een goed baan en zijn werkgever heeft een verklaring overgelegd waaruit volgt dat deze zeer tevreden is over zijn inzet. Het Hof heeft het vertrouwen dat de schuldenproblematiek zich in de toekomst niet zal herhalen;
  • er is beschermingsbewind aangevraagd of uitgesproken.

Heeft u vragen naar aanleiding van deze blog? Stel deze dan via ons contactformulier. Een van onze in de WSNP gespecialiseerde advocaten beantwoordt graag uw vraag.

Bent u zelf niet toegelaten tot de WSNP en wilt in hoger beroep? Wacht dan niet te lang: neem direct contact met ons op.

doorArjan van Luipen

Toch toelating tot de WSNP

Ik kan mij deze zaak nog goed herinneren. Schuldenares kon er echt niets aan doen dat er grote schulden waren komen te ontstaan. De rechtbank weigerde toegang tot de WSNP, maar het we wisten gelukkig het Gerechtshof te overtuigen. Lees hier de uitspraak.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak: 16-05-2017
Datum publicatie 22-05-2017
Zaaknummer 200.210.023/01
Rechtsgebieden Insolventierecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie
Toepassing hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw; voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.210.023/01
Rekestnummer rechtbank : C/09/520445 / FT RK 16/2284
arrest van 16 mei 2017

inzake
[naam] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. A.W. van Luipen te Zeist.

Het geding
Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 21 februari 2017, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2017, waarbij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Zij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 3 mei 2017 is het proces-verbaal van de behandeling bij de rechtbank aan het hof toegezonden en bij brief van 8 mei 2017 is nog een productie overgelegd.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 mei 2017. Verschenen is: [appellante] , bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door haar moeder en een vriendin.
Beoordeling van het hoger beroep
1. [appellante] heeft op 24 oktober 2016 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde bijlage ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 60.653,33.

2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw).

3. De grieven en argumenten van [appellante] kunnen als volgt worden samengevat.
[appellante] heeft gesteld dat zij weliswaar op papier eigenaar van de schoenenwinkel en het restaurant was, maar dat beide ondernemingen werden gedreven door haar ex-partner. Haar ex-partner beheerde de financiën en de administratie en [appellante] wist langere tijd niet van de schulden die kennelijk ontstonden. De administratie die niet eerder tot haar beschikking stond heeft zij inmiddels bij de boekhouder opgehaald. Met de hulp van een derde heeft zij de jaarstukken voor 2013 kunnen opmaken.
Verder heeft [appellante] een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw. Met het beëindigen van de relatie met haar ex-partner en het staken van de ondernemingsactiviteiten is de oorzaak van het onbetaald laten van vorderingen en het ontstaan van nieuwe schulden geheel weggenomen, aldus [appellante] . Verder zijn er sinds augustus 2014 geen nieuwe schulden meer ontstaan.
4. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet kan worden beoordeeld of [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden te goeder trouw is geweest, nu ook in hoger beroep de jaarstukken 2012 en 2014 van de door [appellante] gevoerde ondernemingen ontbreken en derhalve geen volledig inzicht in de bedrijfsvoering van de ondernemingen is verkregen. Het hof ziet in dit geval echter aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen. Daartoe wordt het volgende overwogen. Een aanzienlijk deel van de schuldenlast houdt verband met de door [appellante] gevoerde ondernemingen. [appellante] heeft haar ondernemingen in juli en augustus 2014 gestaakt. Sindsdien is [appellante] geen ondernemer meer en zijn er geen nieuwe schulden meer ontstaan. Verder is [appellante] thans niet meer samen met haar ex-partner, die, volgens [appellante] , de ondernemingen feitelijk heeft gedreven. [appellante] heeft op dit moment een stabiele leefsituatie. Zij woont bij haar moeder en heeft een parttime baan in de thuiszorg voor gemiddeld 20 uur per week.
[appellante] heeft zich verder saneringsgezind getoond door – hangende het geding in hoger beroep – alsnog een gedeelte van de administratie van de ondernemingen tot haar beschikking te krijgen en met de hulp van een derde jaarstukken over het jaar 2013 op te maken.
Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk dat [appellante] zowel haar financiële als persoonlijke situatie onder controle heeft gekregen als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw.
5. Het hof acht derhalve het beroep op de hardheidsclausule geslaagd, hetgeen betekent dat [appellante] kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

6. Het hof wijst er wel op dat voor een succesvolle afronding van de schuldsanering is vereist dat [appellante] alles in het werk zal stellen om een fulltime baan te vinden, de door de te benoemen bewindvoerder gegeven aanwijzingen stipt zal opvolgen en dat [appellante] ook overigens, gevraagd én ongevraagd, aan alle verplichtingen die de wettelijke regeling haar oplegt zal voldoen, bij gebreke waarvan de schuldsaneringsregeling tussentijds zal kunnen worden beëindigd dan wel aan het einde van de schuldsaneringsregeling haar de zogenaamde ‘schone lei’ zal kunnen worden onthouden.

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en [appellante] dient te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

Beslissing
Het hof:

– vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2017;

– spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] uit;

– verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.W. van Baal, M.C.M. van Dijk en D. Aarts en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2017 in aanwezigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:1443&showbutton=true&keyword=Van+Luipen